
Er was een tijd dat je een spelcomputer kocht, een game in het apparaat stopte en simpelweg kon spelen. Geen accounts, geen verplichte updates, geen maandelijkse abonnementen en geen servers die moesten controleren of je nog wel “gerechtigd” was om je eigen spel te starten, of erger nog, die ineens besloten dat je geen toegang meer had tot games die je gewoon gekocht hebt. Die tijd lijkt met de volgende generatie consoles definitief voorbij. De PS6 is nog niet officieel onthuld, maar de richting waarin Sony de afgelopen jaren beweegt laat weinig ruimte voor twijfel.
De moderne spelcomputer is veranderd van een product in een dienst. En dat is naar mijn mening een serieus probleem.
Sony verkoopt allang niet meer alleen hardware. Het bedrijf verkoopt toegang. Toegang tot online functies, toegang tot digitale aankopen, toegang tot cloudopslag en uiteindelijk zelfs toegang tot je eigen bibliotheek. Dat verschil lijkt klein, maar het verandert fundamenteel wat bezit nog betekent.
Koop je een digitale game via de PlayStation Store, dan koop je in werkelijkheid geen eigendom meer. Hoewel het woord ‘kopen’ suggereert dat een game van jou is, blijkt dat in de praktijk vaak een illusie. Je koopt een licentie die Sony op elk moment kan aanpassen of intrekken. Games verdwijnen regelmatig uit digitale winkels door verlopen licenties of gewijzigde contracten. Als je geluk hebt verdwijnt alleen de online functionaliteit van een game en blijft de game technisch speelbaar, maar in veel gevallen wordt een game volledig onbruikbaar gemaakt.
In presentaties van de ‘Stop Killing Games’-beweging wordt zelfs gesteld dat games soms niet om technische redenen verdwijnen, maar omdat uitgevers vrezen dat spelers anders geen nieuwe titels meer kopen.
Dat klinkt misschien overdreven, maar we hebben dit al vaker gezien. Ubisoft trok eerder al de stekker uit oudere online titels en maakte ze volledig onbruikbaar, zoals The Crew. Die game werd zelfs verwijderd uit de bibliotheken van gebruikers. Maar ook Nintendo is er niet vies van. Het bedrijf sloot de complete digitale winkels van de Wii U en Nintendo 3DS omdat gebruikers te lang op oudere hardware bleven hangen en Nintendo spelers richting de Switch wilde bewegen. Google Stadia verdween volledig van de markt en daarmee verdween ook de complete digitale bibliotheek van gebruikers.
Bij fysieke games had je tenminste nog iets tastbaars. Een disc werkte twintig jaar later vaak nog steeds. Je kon een game uitlenen, verkopen of tweedehands kopen voor een normale prijs. Dat model staat inmiddels zwaar onder druk. Sony stimuleert digitale verkoop al jaren agressief. Niet alleen via de PlayStation Store, maar ook via consoles zonder discdrive.
En precies daar zit misschien wel het grootste gevaar.
Zodra fysieke media verdwijnen, verdwijnt ook concurrentie. Een digitale PlayStation-game koop je dan uitsluitend via Sony zelf. Geen aanbiedingen van lokale winkels, prijsstunts van webshops, tweedehandsmarkt of budgetbakken. Alleen de prijs die Sony bepaalt.
Wie vandaag de PlayStation Store opent ziet al hoe dat eruitziet. Digitale games van jaren oud zijn in veel gevallen zelfs duurder geworden. Waar je een paar jaar geleden nog 59,99 euro betaalde voor een grote release, ligt die prijs tegenwoordig regelmatig op 79,99 euro. Terwijl fysieke versies vaak voor een fractie van dat bedrag in winkels liggen. Het ontbreken van echte digitale concurrentie houdt prijzen kunstmatig hoog.
Op pc bestaat dat probleem veel minder dankzij concurrerende winkels als Steam, GOG, Epic Games Store en Humble Bundle. Het zijn platforms die soms al decennialang bestaan en waar games die je jaren geleden kocht nog steeds opnieuw te downloaden zijn op moderne hardware. Op consoles blijft de fabrikant de poortwachter. Dat betekent vaak dat oudere games niet meer werken op nieuwe systemen of opnieuw gekocht moeten worden.
Daar komt nog iets bij. Online spelen, iets dat op pc al decennialang gratis is, zit op consoles achter een betaalmuur. Wie op PlayStation met vrienden wil gamen moet een PlayStation Plus-abonnement afsluiten. Dat abonnement is de afgelopen jaren fors duurder geworden. Je betaalt dus niet alleen honderden euro’s voor de hardware en tientallen euro’s per game, maar ook nog jaarlijks een flink bedrag om multiplayer überhaupt te mogen gebruiken.
Dat was vroeger nog te verdedigen toen online infrastructuur nieuw was. Inmiddels voelt het vooral als een tolpoort.
Waarom wordt het steeds duurder? Omdat beursgenoteerde bedrijven elk jaar meer winst moeten laten zien, aandeelhouders tevreden moeten houden en op papier moeten blijven groeien. Maar de piek lijkt voorbij. Tijdens de coronaperiode beleefde de game-industrie recordjaren, maar inmiddels lopen gebruikersaantallen terug. Studio’s sluiten, duizenden werknemers verliezen hun baan en uitgevers proberen die tegenvallende groei op te vangen met hogere prijzen en duurdere abonnementen.
En met de opkomst van apparaten als de Steam Deck krijgt Sony voor het eerst serieuze concurrentie buiten het traditionele consolemodel. De PlayStation 4 is nog steeds enorm populair en veel spelers zien nauwelijks reden om een PlayStation 5 aan te schaffen. Ondertussen stappen steeds meer gamers over naar pc of handheld pc’s, simpelweg omdat die meer vrijheid bieden.
Ondertussen worden consoles steeds afhankelijker van permanente online controle. Games ontvangen verplichte patches van tientallen gigabytes. Accounts moeten gekoppeld blijven. Voor sommige titels werkt zelfs de singleplayer niet zonder verificatie via internet. Sony experimenteert al langer met systemen die periodiek online contact vereisen voor licentiecontrole. Als die ontwikkeling doorzet, kan de PS6 zomaar een apparaat worden dat zichzelf beperkt zodra het langere tijd geen verbinding met Sony’s servers heeft gemaakt.
En stel je voor dat Sony besluit nieuwe voorwaarden door te voeren. Dat gebeurt nu al regelmatig. Akkoord gaan is verplicht. Doe je dat niet, dan verlies je toegang tot online functies, aankopen of zelfs je account. Het bizarre is dat consumenten dit normaal zijn gaan vinden. Stel je voor dat een autofabrikant plotseling nieuwe voorwaarden eist voordat je de motor nog mag starten.
Toch accepteren miljoenen spelers het zonder protest.
Het meest opvallende is misschien nog wel dat consoles ooit juist populair werden door hun eenvoud. Geen gedoe zoals op pc. Gewoon spelen. Inmiddels zijn moderne consoles veranderd in streng gecontroleerde ecosystemen waarin de gebruiker steeds minder vrijheid heeft. Je mag niet zelf bepalen waar je games koopt, hardware niet vrij aanpassen, software niet buiten de goedgekeurde winkel installeren. Zelfs back-ups maken van aangekochte content wordt steeds ingewikkelder.
Sterker nog, wie savegames veilig wil back-uppen via de cloud, is afhankelijk van een PlayStation Plus-abonnement. Op de PS5 is het niet eens mogelijk om savegames simpelweg naar een externe schijf te kopiëren en ze daarna op een andere console terug te zetten. Daarvoor moet je gebruik maken van Sony’s abonnementsdienst.
De ironie is dat pc-gaming, ooit gezien als het ingewikkelde alternatief, tegenwoordig op veel vlakken juist vrijer is. Games zijn goedkoper, online spelen is gratis, mods zijn toegestaan en je bent niet volledig afhankelijk van één fabrikant. Zelfs oude games blijven speelbaar dankzij communitypatches en onafhankelijke platforms als GOG.
Daarbij is de Steam Machine in aantocht. Dit is een pc, gemaakt door Valve. Hoewel het komt geïnstalleerd met Linux, ben je vrij om ermee te doen wat je wil. Dat betekent naast modden, mods installeren, andere platforms dan Steam gebruiken (dus ook GOG, Ubisoft en zelfs Epic Games), ook gewoon Windows op het apparaat mag installeren als je wil. Dat is precies de openheid die gamers willen en die we nodig hebben en waarom de pc (of Steam Machine) een veel logischere keuze is.
Natuurlijk zal de PlayStation 6 technisch indrukwekkend worden. Snellere hardware, ray tracing, AI-upscaling en waarschijnlijk weer een handvol sterke exclusives. Maar op een bepaald moment moet de vraag gesteld worden hoeveel vrijheid consumenten nog willen inleveren voor iets mooiere graphics.
Want wat koop je straks eigenlijk nog? Een spelcomputer, of slechts toestemming om tijdelijk gebruik te maken van een gesloten systeem waar iemand anders alle regels bepaalt?
Uiteindelijk moeten we onszelf de vraag stellen: waar gaat gamen eigenlijk over? Als je de marketingmachines van Sony mag geloven, draait de toekomst uitsluitend om meer teraflops, complexere raytracing en nog hogere resoluties. Maar voor de echte gamer gaat het daar nooit over.
De mooiste herinneringen worden niet gevormd door de scherpte van een schaduw of de framerate van een explosie. Ze worden gevormd door de avonturen die we beleven, de werelden waarin we verdwalen en de vriendschappen die we sluiten. Echte gamers zeuren niet online over welk apparaat de meeste ‘power’ heeft; ze gamen. Je hoort hen niet schreeuwen over waarom hun hardware superieur is, want ze zijn te druk met genieten van de game zelf.
Maar dat genieten wordt steeds vaker gegijzeld door een model dat draait om controle in plaats van passie. De keuze voor een open alternatief, zoals de nieuwe Steam Machine, is dan ook geen keuze tegen graphics, maar een keuze vóór eigendom. Het is de vrijheid om je passie te delen met vrienden zonder dat daar een maandelijks tol-abonnement tussen zit. Het is de zekerheid dat je bibliotheek over tien jaar nog steeds van jou is.
De PlayStation 6 zal ongetwijfeld een technisch hoogstandje zijn. Maar in een wereld waar je misschien wel voor 1000 euro slechts “toestemming” koopt om tijdelijk mee te mogen doen in Sony’s speeltuin, terwijl er vrije, krachtige alternatieven klaarluisteren, is de conclusie onvermijdelijk. Je moet tegenwoordig wel heel erg gek zijn om nog een PS6 te willen.